|
|
|
Heden zult gij met mij zijn in het paradijs Hij
mist haar lichaam, haar gezicht, haar
oogopslag, haar warmte. Hij
hoort haar stem in
het rumoer van mensen, ziet
haar in de straten, in
cafés en bars tot
ze opgaat in de massa en
even uit zijn droom verdwijnt. Waar
hij ook heengaat of verblijft, daar is ze. De
nacht brengt hem geen rust. De
slaap komt pas als ‘s ochtends vroeg de
zon het
blauwe maanlicht uit
zijn kamer heeft verdreven en
vrieswind bloemen
op zijn ramen blaast. |